
Opinie |Pleidooi voor eerlijk beleid rond kwalificatie van meerwaarde op crypto | trends, knack (08/04/2026)
Lees het artikel hier

Fiscaal advocaat Dave van Moppes schreef een open brief naar de Rulingcommissie. Hij reageert op een beslissingsboom, die recent door parlementslid Vincent Van Quickenborne (Anders) publiek werd gemaakt, om te bepalen hoe cryptowinsten belast moeten worden.
Geachte leden van de Rulingcommissie,
Als fiscaal advocaat die cliënten helpt bij het ontwaren van de juiste fiscale kwalificatie van hun meerwaarden op cryptoactiva, schrijf ik u deze open brief. Ik wil uw beleid niet onderuithalen, maar wel constructief wijzen op punten waar de huidige invulling volgens mij te star en soms oneerlijk uitpakt.
U probeert speculatie te scheiden van normaal beheer van privévermogen en gebruikt daarbij logische criteria, maar in de praktijk voelen ze vaak ongenuanceerd en willekeurig aan. Dat leidt tot resultaten die niet kloppen voor mensen die te goeder trouw handelen en het beperkt sterk wie nog rechtszekerheid zoekt via een ruling. De vragenlijst die u hanteert op “ruling.be” vult de beslissingsboom aan met goede vragen over risico, kennis en intentie. Toch denk ik dat er ruimte is voor verbetering, vooral rekening houdend met hoe blockchain écht werkt.
Hier mijn belangrijkste bedenkingen:
Hoeveel transacties per maand zijn normaal? Veel te lage drempel en te weinig nuance.
De beslissingsboom begint met de vraag of iemand op jaarbasis gemiddeld meer dan drie transacties per maand doet. Die drempel is extreem laag en negeert de technische realiteit van de blockchain. Veel handelingen tellen mee als transactie, terwijl ze niets met speculatie te maken hebben. Denk aan geld verplaatsen tussen eigen wallets, bijvoorbeeld van een hot naar een cold wallet voor de veiligheid, vergelijkbaar met overschrijvingen tussen rekeningen. Platformen zoals Binance, Coinbase en Uniswap zullen grote orders om technische redenen opsplitsen in tientallen of honderden kleine stukjes. Zo zouden er nog veel andere technische handelingen uitgesloten moeten worden, zoals bridgen tussen chains, migreren naar layer-2 of een wallet connecten met een dApp, ERC-20 approvals, rewards claimen uit staking of liquidity pools.
Het zou veel eerlijker zijn te focussen op echte economische transacties om te beoordelen of iets onder speculatie valt (33 procent belasting op de meerwaarde) of onder het normale beheer van een privévermogen (10 procent belasting, met een jaarlijkse vrijstellingtot 10.000 euro per persoon).
Welk geïnvesteerd bedrag of percentage van een vermogen mag aan investeringen in cryptomunten toegewezen worden? Absolute drempels werken discriminerend.
Afhankelijk van het geïnvesteerde bedrag en het percentage van het mobiele vermogen, komt de beslissingsboom tot een positieve of negatieve analyse. Dat er slechts een bepaald deel van het vermogen kan worden toegeschreven aan investeringen in crypto, is begrijpelijk. Hoe het roerend deel van het patrimonium precies wordt berekend, blijft vaag, en dat is problematisch.
Als iemand eenmalig 100.000 euro in cryptomunten steekt, overschrijdt die persoon de absolute drempel van 50.000 euro. Boven die drempel gaat de fiscus uit van speculatie. Stel dat die persoon een roerend vermogen van 5 miljoen euro heeft, dan gaat het om amper 2 procent van het vermogen.
Iemand met minder vermogen, maar met dezelfde of zelfs een grotere relatieve inspanning, komt beter weg. Via de beslissingsboom komen we uit bij speculatie bij een geïnvesteerd bedrag van respectievelijk meer dan 2.500, meer dan 10.000 en meer dan 25.000 euro in combinatie met een overschrijding van de drempel van 25 procent van het vermogen, 15 procent en 10 procent. Die absolute drempels werken discriminerend.
Zet de relatieve percentages centraler in de beoordeling. Houd rekening met de totale vermogenscontext en geef transparantie over de berekening van het roerend patrimonium. Dat zou al veel rechtvaardiger aanvoelen.
De periode dat beleggers activa aanhouden, krijgt veel te weinig gewicht.
Ik geloof dat uw criteria een sterke basis kunnen vormen. Maar vandaag voelt de toepassing vaak onwerkzaam en te streng. In Duitsland, Portugal en Luxemburg zijn de duur van een belegging en de intentie sleutelcriteria. Wanneer beleggers iets langer dan een jaar aanhouden, wijst dat meestal op beheer en niet op speculatie. In de cryptowereld heet zoiets een ‘hodl’-mentaliteit. Wie regelmatig kleine stortingen doet, bouwt over een periode van tien tot vijftien jaar vanzelf posities op die boven de vermelde posities uitstijgen. Waarom worden posities die een jaar of langer worden aangehouden niet gunstiger beoordeeld? Dat zou beter aansluiten bij de internationale praktijk. Zo vermijd je dat geduld en ervaring worden afgestraft. Minister van Financiën Jan Jambon (N-VA) zei eind januari in de Kamercommissie dat normaal beheer eerder de regel is en dat de overgrote meerderheid van de cryptobeleggers onder het normale tarief valt. Dat toont aan dat een verfijning van de criteria zowel mogelijk als wenselijk is.
Dave van Moppes